Maatschappij & onderwijs

Leraar in België anno 2025: wat Europese collega’s ons leren

By 28 augustus 2025februari 13th, 2026No Comments

Inzichten uit een grootschalige Europese bevraging van leraren

Wat betekent het vandaag om leraar te zijn in België? Die vraag staat steeds vaker centraal in onderwijsdebatten over werkdruk, leerprestaties, digitalisering en professionalisering. Een recente Europese bevraging bij bijna 7.000 leraren uit zeven landen biedt een interessant vergelijkingskader. Niet om één waarheid te presenteren, maar om patronen zichtbaar te maken: welke zorgen keren overal terug, waar verschillen landen van elkaar en wat zegt dat over de toekomst van het onderwijs?

De bevraging werd afgenomen in Finland, Zweden, Nederland, België, Polen, Spanje en Italië en richtte zich op ervaren uitdagingen, didactische keuzes en verwachtingen rond digitale middelen en artificiële intelligentie. De resultaten geven geen meetbare leeruitkomsten weer, maar brengen wel het professionele perspectief van leraren in kaart.

1. Leerprestaties: een gedeelde zorg in Europa

In meerdere landen geven leraren aan dat een aanzienlijk deel van hun leerlingen onder het verwachte niveau presteert. De intensiteit van die bezorgdheid verschilt sterk per land: in Spanje signaleert ongeveer vier op de vijf leraren dit probleem, terwijl in Finland en Polen ruim een derde dat ervaart. In België ligt dat aandeel rond een derde.

Hoewel het hier gaat om percepties en geen objectieve toetsresultaten, sluiten deze signalen aan bij bevindingen uit internationale grootschalige studies zoals PISA en TIMSS. Ook daar wordt gewezen op dalende prestaties, onder meer op het vlak van wiskundige geletterdheid. De Europese vergelijking maakt duidelijk dat het niet om een louter nationaal probleem gaat, maar om een bredere onderwijsuitdaging.

Dat inzicht onderstreept het belang van kennisdeling en samenwerking: binnen scholen, tussen scholen en ook over landsgrenzen heen. Niet om modellen klakkeloos over te nemen, maar om te leren van verschillende aanpakken en beleidskeuzes.

Kinderen die les volgen in een klaslokaal

2. Blended learning als gangbare onderwijspraktijk

Een tweede duidelijke tendens is de brede aanvaarding van blended learning. In alle onderzochte landen beschouwen de meeste leraren een combinatie van fysieke leermiddelen en digitale toepassingen als de meest effectieve leeromgeving. Ongeveer negen op de tien respondenten onderschrijven die visie.

Ook het vertrouwen in de eigen competenties is hoog: een ruime meerderheid voelt zich comfortabel in de rol van leraar die zowel met print als digitaal werkt. Dat wijst erop dat blended learning voor veel leraren geen experimentele aanpak meer is, maar een geïntegreerd onderdeel van het dagelijkse onderwijs.

De kernvraag verschuift daarmee van of blended learning zinvol is naar hoe het didactisch doordacht kan worden ingezet. Welke leerdoelen lenen zich voor digitale verwerking? Wanneer biedt een boek meer houvast? Die pedagogische afwegingen vormen steeds vaker de kern van professioneel leraarschap.

Kleuterjuf helpt bij knutselwerk

3. Digitale middelen en inclusie

Digitale leermiddelen worden door veel leraren gezien als een belangrijke hefboom voor inclusiever onderwijs. Meer dan vier op de vijf respondenten geven aan dat digitale ondersteuning helpt om beter tegemoet te komen aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, zoals leerstoornissen of concentratieproblemen.

Vooral toepassingen die differentiatie ondersteunen — bijvoorbeeld door variatie in tempo, niveau of ondersteuning — worden als waardevol ervaren. Dit bevestigt dat digitalisering niet enkel draait om efficiëntie, maar ook om toegankelijkheid en gelijke onderwijskansen. Tegelijk vraagt dit blijvende aandacht voor didactische keuzes en begeleiding, zodat technologie ondersteunend blijft aan het leerproces.

4. Artificiële intelligentie: voorzichtig optimisme, beperkte verwachtingen

Artificiële intelligentie roept bij leraren gemengde reacties op. Een ruime meerderheid uit zorgen over mogelijke gevolgen voor de kwaliteit van onderwijs. Tegelijk maakt een groeiend aantal leraren al gebruik van AI-toepassingen, vooral ter ondersteuning van hun eigen werk, zoals lesvoorbereiding, structureren van leerstof of administratieve taken.

Opvallend is dat het vertrouwen in AI als hefboom voor betere leerresultaten beperkt blijft. Slechts een kleine minderheid verwacht dat AI op korte termijn een directe positieve impact zal hebben op de leerwinst van leerlingen. In België, en vooral in Vlaanderen, tekent zich zelfs een paradox af: het gebruik van AI neemt toe, terwijl het geloof in pedagogische meerwaarde licht daalt.

Dat wijst op een realistische houding: AI wordt voorlopig vooral gezien als een efficiënt hulpmiddel voor de leraar, niet als vervanging van didactische expertise of pedagogisch handelen. De uitdaging ligt erin om technologie kritisch en doelgericht te integreren, met aandacht voor kwaliteit, ethiek en onderwijsdoelen.

Europese spiegel, nationale keuzes

De Europese vergelijking maakt duidelijk dat Belgische leraren niet alleen staan in hun zorgen en vragen. Tegelijk laat ze zien dat context ertoe doet: onderwijsstructuren, beleidskeuzes en ondersteuning beïnvloeden hoe uitdagingen worden ervaren en aangepakt.

Voor onderwijsprofessionals en beleidsmakers biedt dit soort onderzoek vooral een uitnodiging tot reflectie. Niet om snelle conclusies te trekken, maar om het gesprek te voeden over wat goed onderwijs vandaag vraagt — en welke ondersteuning leraren daarvoor nodig hebben.

Dit artikel baseert zich op resultaten uit een Europese bevraging onder leraren en plaatst deze naast bestaande internationale onderwijstrends. De bevindingen geven inzicht in ervaren uitdagingen, maar vormen geen rechtstreeks bewijs voor onderwijskwaliteit of leerprestaties.